10 legendarische koffiehuizen waar grote kunstenaars elkaar ontmoetten
Heb je je ooit afgevraagd waar Picasso zijn beste ideeën kreeg ? Of waar Hemingway zat te schrijven tussen twee whisky’s door ? De waarheid is simpel : in cafés. Niet zomaar cafés trouwens, maar plekken waar de muren doordrenkt zijn van creativiteit, tabaksrook en eindeloze discussies over kunst.
Het lijkt misschien een cliché, maar cafés waren echt dé ontmoetingsplaats voor kunstenaars in de vorige eeuw. En ik bedoel niet die hippe conceptstores van nu met hun overpriced flat whites. Trouwens, als je zelf van goede koffie houdt en nieuwsgierig bent naar kwaliteitsbonen, check dan eens https://livraison-cafe.fr voor inspiratie. Maar goed, terug naar de geschiedenis : deze cafés waren stoffig, lawaaierig, soms een beetje ranzig zelfs. Maar juist daar ontstond magie.
Café de Flore (Paris) – de absolute nummer één
Als je maar één café moet kennen uit de kunstgeschiedenis, dan is het deze. Café de Flore in Saint-Germain-des-Prés is letterlijk legendarisch. Picasso zat er bijna dagelijks, Sartre en Simone de Beauvoir hadden er praktisch hun eigen tafel. En weet je wat ? Die tafels staan er nog steeds.
Het rare is dat het er eigenlijk gewoon… druk is. Toeristisch ook, eerlijk gezegd. Maar als je ’s ochtends vroeg gaat, snap je meteen waarom kunstenaars er kwamen. Het licht door de grote ramen, het geroezemoes, de geur van espresso. Het zet je hoofd aan denken.
Les Deux Magots (Paris) – de eeuwige concurrent
Schuin tegenover de Flore staat Les Deux Magots. En ja, er was echt rivaliteit tussen beide cafés. Hemingway kwam hier, net als Verlaine, Rimbaud en later ook Camus. De vraag welk café “beter” was, leidde tot verhitte discussies onder Parijse intellectuelen.
Persoonlijk vind ik de Deux Magots iets te toeristisch geworden. Maar goed, dat mag je niet hardop zeggen als kunstliefhebber blijkbaar.
Els Quatre Gats (Barcelona) – waar Picasso begon
Dit is echt een pareltje. Els Quatre Gats (De Vier Katten) in Barcelona was het eerste café waar de jonge Picasso exposeerde. Hij was amper 17 jaar oud. Het café werd geopend in 1897 en werd meteen een magneet voor modernistische kunstenaars.
Het interieur is nog steeds adembenemend. Donker hout, glas-in-loodramen, en je voelt gewoon de bohème sfeer van begin 1900. Ze serveren er trouwens nog steeds dezelfde traditionele Catalaanse gerechten als toen.
Café Central (Wenen) – het epicentrum van de Weense Secession
Gustav Klimt, Egon Schiele, maar ook Freud en Trotski – ze kwamen allemaal naar Café Central. De Weense koffiehuiscultuur was sowieso uniek, maar dit café was het hart ervan.
De ruimte is gigantisch, met hoge gewelfde plafonds en marmeren zuilen. Het voelt bijna intimiderend. Maar kunstenaars brachten er urenlang door, soms een hele dag met één kop koffie. Dat werd gewoon geaccepteerd.
La Rotonde (Montparnasse, Paris) – de plek voor arme kunstenaars
Montparnasse was in de jaren 1920 hét bohème kwartier van Parijs. En La Rotonde was daar het populairste café. Modigliani zat er constant, vaak dronken. Chagall ook, en Man Ray, en Léger.
Wat ik bijzonder vind : de uitbater liet kunstenaars op de pof drinken als ze blut waren. Hij kreeg dan schilderijen als onderpand. Sommige van die doeken zijn nu miljoenen waard. Beste deal ooit, misschien.
Caffè Florian (Venetië) – de oudste ter wereld
Technisch gezien bestaat Caffè Florian al sinds 1720, dus het heeft meerdere eeuwen meegemaakt. Maar in de 20e eeuw bleef het een trekpleister voor kunstenaars die naar Venetië kwamen voor de Biënnale.
Het is waanzinnig chic. Vergulde spiegels, fluwelen banken, live klassieke muziek. Een espresso kost er tegenwoordig een kleine €12, what the hell. Maar het is wel mooi.
La Closerie des Lilas (Paris) – Hemingways favoriet
Hemingway schreef grote delen van “The Sun Also Rises” in dit café. Hij had er zelfs zijn eigen koperen naamplaatje op de bar. Dat plaatje hangt er nog steeds, ik heb het zelf gezien.
Het café combineert een brasserie met een rustiger deel waar je écht kunt werken. Andere schrijvers en kunstenaars zoals Man Ray en Apollinaire kwamen er ook regelmatig.
Café Hawelka (Wenen) – de naoorlogse kunstscene
Na de Tweede Wereldoorlog werd Café Hawelka het nieuwe centrum voor Weense kunstenaars. Het is veel kleiners dan Café Central, intimers ook. De muren hangen vol kunst die klanten door de jaren heen hebben geschonken.
Ze zijn beroemd om hun Buchteln – warme gistbroodjes met pruimenjam. Klinkt niet spectaculair, maar het is echt verslavend goed.
Caffè Greco (Rome) – 250 jaar kunstgeschiedenis
Het oudste café van Rome, geopend in 1760. In de 20e eeuw was het vooral een ontmoetingsplek voor buitenlandse kunstenaars die naar Italië kwamen. De muren hangen vol met oude portretten en tekeningen.
Het is een museum op zich. Maar je kunt er gewoon een cappuccino bestellen en plaatsnemen op dezelfde stoelen waar generaties kunstenaars hebben gezeten.
Café Slavia (Praag) – het venster op de Moldau
Met uitzicht op de Moldau en het Nationaal Theater was Café Slavia dé plek voor Tsjechische kunstenaars en dissidenten. Vooral tijdens het communistische regime was het een vrijplaats voor vrije denkers.
Václav Havel kwam er regelmatig, samen met schrijvers en dichters die zich verzetten tegen censuur. De sfeer is nog steeds geladen met die geschiedenis.
Waarom werkten kunstenaars in cafés ?
Oké, maar waarom eigenlijk ? Waarom geen atelier of thuis werken ?
Ten eerste : verwarming. Veel kunstenaars waren straatarm. Cafés waren warm, goedkoop (of gratis als je iets schuldig was), en je kon er uren blijven zitten.
Ten tweede : inspiratie. De gesprekken, de mensen, het leven om je heen. Dat voedde de creativiteit. Een leeg atelier kan behoorlijk doodmakend zijn, geloof me.
Ten derde : netwerken avant la lettre. Je ontmoette er galeriehouders, andere kunstenaars, verzamelaars. Het was social media, maar dan met koffie en sigaretten.
Deze cafés nu bezoeken ?
De meeste van deze cafés bestaan nog steeds. Sommige zijn toeristischer geworden, dat geef ik toe. Café de Flore en Les Deux Magots zijn vooral druk, en niet goedkoop. Maar de sfeer is er nog wel, vooral vroeg in de ochtend of laat in de avond.
Als je kunstgeschiedenis écht wilt voelen, raad ik aan om niet alleen te gaan kijken, maar er ook echt te gaan zitten. Bestel een koffie, neem een schetsboek mee, en blijf een paar uur. Je begrijpt dan meteen waarom generaties kunstenaars dit ritueel hadden.
De conclusie : koffie en kunst blijven verweven
Het is geen toeval dat zoveel kunstenaars hun werk maakten in cafés. De combinatie van cafeïne, gesprekken, en een vleugje chaos is blijkbaar een perfecte voedingsbodem voor creativiteit.
En wie weet, misschien zit de volgende Picasso nu wel ergens in een café in je eigen stad. Of misschien ben jij het wel.
